Urk
Op vrijdagmorgen haal ik een gebakken visje bij visboer op onze markt. Het bakken duurt even, dus is er tijd voor een praatje. De visboer komt van Urk en ik vertel hem dat ik binnenkort ga zeilen en bij gunstig weer ook even de haven van Urk hoop aan te doen.
“Een mooie haven, en een indrukwekkend dorp ook”, ga ik verder. “Altijd als ik op Urk ben, ga ik bij de vuurtoren naar het monument voor de vissers die in de loop van de jaren zijn omgekomen. Daar lees ik dan de namen en de leeftijden van de omgekomen mannen – jongens vaak nog – en raak ik iedere keer weer onder de indruk. Halve families staan er soms op zo’n steen.” De visboer reageert: ”Er is zelfs een nacht geweest dat er tien kotters tegelijk zijn vergaan. Overvallen door een plotselinge storm.” Ik denk aan het ‘gebed van een Bretonse visserman’: O Heer, uw zee is zo groot, en mijn boot zo klein. Help me!
“Ieder jaar”, vertelt de visboer, “houden we op Urk een herdenking bij het monument. Dan zingt één van onze mannenkoren. Dit jaar het onze, zo’n honderd man sterk, en ik mocht samen met een ander koorlid de krans leggen. Dan gaat er heel wat door je heen. In mijn eigen familie hebben we gelukkig niemand aan de zee verloren. Wel bijna. Mijn vader liep met zijn kotter op een zeemijn en ze hebben het maar net gered. En zelf had ik hier bijna ook niet gestaan.
Ik was een jongen van een jaar of dertig en moest over een stapel viskisten heen van voor op het dek naar achter klimmen. ‘Een hand die mistast of een voet die uitglijdt, je bent zomaar verdwenen in de golven’, zei mijn schipper altijd. Een golf tilde de stok op waaraan ik me vastgreep, en ik ging met stok en al overboord. Ik had mijn oliegoed aan, dan kun je niets meer. Dus ik dacht ‘ik moet die stok blijven vasthouden, want die zit met een touw aan de boot vast. Anders ben ik weg’.
Maar ik kon hem niet houden en gleed langzaam naar onderen. Ik wist dat hij daar ook weer met een touw aan de boot vastzat, dus ik dacht: ‘ik moet mijn been over de stok slingeren, dan houdt het touw me vast.’ Dat lukte, en zo werd ik meegesleurd. Tot ze mij aan boord misten, en me in het water zagen spartelen. Ze haalden het gas eraf en trokken me binnen. Toen ik thuiskwam, en het verhaal vertelde aan mijn hoogzwangere vrouw, wilde ze niet meer dat ik naar zee ging. Dus nu sta ik bij jullie hier in de viskar.”
Ooit zag ik een documentaire over één van de Urker mannenkoren. Een jonge jongen, ook visser, vertelde hoe ze een maat begroeven. “Bij het open graf hebben we toen met z’n tachtigen ‘Lichtstad met uw paarlen poorten’ gezongen.” Terwijl hij het vertelde, vloeiden de tranen weer uit zijn ogen. Na het verhaal van onze visboer, begin ik Urk beter te begrijpen.
Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, 27 juni 2026. (Foto Wim Beekman: Niels Westra, Leeuwarder Courant).
van Zuidwest Friesland
