Sneeuw
Het is onze vaste oppasdag in Drenthe en ik ga de kleinkinderen naar school brengen. Even na achten controleer ik alvast of de batterij van de bakfiets nog is opgeladen. Meteen zie ik dat er weer een pak sneeuw is gevallen.
Vaste prik deze winter, sneeuw en ijs. Onze kleinkinderen zijn er inmiddels bedreven in. Ze trekken hun dikke jas aan, hun snowboots en hun dikke wanten, en terwijl ik me klaarmaak om nu maar met de auto te gaan, hebben ze ieder een grote sneeuwbal gemaakt. Met moeite krijg ik ze mee naar school.
Onderweg van de parkeerplaats gaan ze van sneeuwpret naar sneeuwpret. Een sneeuwbal gooien naar een vriendje, een baantje glijden op de stoep en de opgeschoven sneeuwberg voor de sporthal beklimmen. School is nu overduidelijk een noodzakelijk kwaad.
Nadat ik er eindelijk in geslaagd ben hen bij de schooldeur af te leveren, kom ik in gesprek met een jonge moeder op het plein. “Alweer een mooie, witte wereld”, zeg ik, maar zij denkt daar duidelijk anders over. Ze trekt een vies gezicht en reageert: “Nou ja, als het blijft liggen. Maar ik ben een beetje klaar met vandaag een pak sneeuw, morgen dooi, overmorgen ijzel en de dag daarna voor de zoveelste keer een natte vieze bende op straat.”
Voor ik er erg in heb reageer ik als mijn moeder vroeger: “Tja, we krijgen het nu eenmaal niet altijd zoals we willen. Het kan vriezen en het kan dooien. We hebben het maar te nemen zoals het komt.” Ik hoor mijzelf spreken met de bezadigde woorden van een bijna zeventiger.
Snel loopt ze maar weer door, en ik kan haar geen ongelijk geven. Zelfs al zou ik het bij het rechte eind hebben, dan nog moet zij dat in haar leven zelf ontdekken wil het waarde hebben. En moet ik haar niet voor de voeten lopen met mijn ouwelijke levenswijsheden.
Maar hopelijk vergeeft zij mij dat ik soms wat moeite heb met de tijd waarin wij leven. Een tijd waarin de bomen tot in de hemel groeien en er weinig nee te koop is. Waarin de dingen meer en meer afgestemd raken op ieders afzonderlijke behoeften. Waarin ons vermogen ons aan te passen en onszelf te voegen afneemt.
Vroeger leerde ik op catechisatie dat wij ons nu eenmaal moeten voegen in het leven. ‘Wij ontvangen alles uit Gods vaderlijke hand, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, gezondheid en ziekte, leven en dood.’
Dat zou ik nu niet meer zo zeggen. Toch geldt in mijn beleving wel degelijk ‘dat het komt zoals het komt, en dat het is zoals het is’. Van Gods vaderlijke hand’ hoop ik dan dat deze mij steunt in wat komt en mij helpt om te gaan met wat mij overkomt.
Misschien kunnen sneeuw en ijs mij oefenen in voegen en aanpassen. Om te beginnen volgende week. Dan zijn wij een weekje naar de sneeuw. Tot over twee weken!
Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, 28 februari 2026. (Foto Wim Beekman: Niels Westra, Leeuwarder Courant).
van Zuidwest Friesland
