‘Es ist Winter’
In het besneeuwde dorpje waar wij verblijven vragen we op straat aan een oudere man met een skistok: “Kunnen we boven op de berg een mooie wandeling maken? Of is dit nu door de vele verse sneeuw niet mogelijk?” Hij antwoord met maar drie woorden: “Es ist Winter.”
We proberen wat meer duidelijkheid uit hem te krijgen: “Misschien zijn de paden in de zon begaanbaar en kunnen we de ijzige weggetjes in de schaduw van het bos beter vermijden. Of zijn er wandelwegen geprepareerd die gewoon te belopen zijn?” De dorpeling lacht en zegt nogmaals: “Es ist Winter.”
Meer woorden heeft hij niet nodig om zijn wereld uit te leggen. Zijn lange leven hier heeft hem geleerd dat het kan zomeren – dan groeien en bloeien de bergweiden en het vee. En dat het kan winteren – dan bepalen sneeuw en ijs wat er wel en niet kan.
Deze week zijn de smalle paadjes in het dorp, die sterk stijgen en scherp dalen, weer begaanbaar. De afgelopen weken kon je hier nauwelijks lopen, begrijpen we. Deze man op leeftijd zal geruime tijd aan huis gebonden zijn geweest. En daar niet moeilijk over hebben gedaan. ‘Es ist Winter.’
Hij zal daar ook goed op voorbereid zijn geweest en zal zich hebben kunnen redden. De mensen in de bergen leven met de natuur en het weer. Zij kunnen roeien met de riemen die zij hebben. En hebben zij geen riemen, dan roeien zij niet. Een mens hier is niet baas over alles, ook niet over zijn eigen leven.
Zouden we daarom op zoveel plaatsen hier, in de dorpen of zomaar ergens op een berg, een kerk of een kapel tegenkomen? Waar je op de overal aanwezige veertien kruiswegstaties, in kunst of kitsch, het lijdensverhaal van Christus kunt volgen en deze dan kunt overdenken.
Zouden daarom al de kerken hier altijd open zijn? Zou je hier daarom geregeld iemand zien hier die stil aan het bidden is. Of voor een ander een kaarsje aansteekt. Moeiten en lasten horen hier gewoon bij het dagelijks leven.
In de Rundkirche van Maria, halverwege het Saasdal, vinden we een ‘wintergebed’ bij de kaarsentafel waarop vele lichtjes branden:
Ik kan niet bidden, God, het valt me zwaar.
Daarom kom ik om tenminste
een kaars aan te steken.
Ik weet: een kaars is geen groot offer.
Zij is bijna niets van mijn arbeid, van mijn geld
van alles wat ik heb.
Zij is alleen een teken,
het teken dat ik een ogenblik
zwijgend voor U wil zijn.
Een teken dat ik gekomen ben
|omdat ik weet
dat U hier bent, dat U mij ziet.
Dat U niet ver bent van mijn leven,
van mijn problemen, mijn moeilijkheden en mijn zorgen,
van mijn familie, mijn werk en mijn toekomst,
van mijn gezondheid, mijn problemen,
van mijn vragen, mijn klagen, en mijn dank.
God, ik weet dat alles
wat ik elke dag nodig heb
van U komt.
Daarom ben ik hier.
Amen.
Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, 7 maart 2026. (Foto Wim Beekman: Niels Westra, Leeuwarder Courant).
