Kwade dagen
Mijn oudste zus stuurt mij het gedicht ‘Kwade dagen’ van Ida Gerhardt. Of ik dat ken. Nee, ik ken het niet, maar iedere zin komt mij bekend voor. Uit wat mensen mij over hun ‘kwade dagen’ vertelden toen ik hun dominee was.
Ga niet naar anderen als dàt leed u slaat
dat de mens kromt, of als een wig hem splijt;
ga niet naar anderen: raak uw kracht niet kwijt,
die harde kern waarmee ge het bestaat.
En houd uw huis in stand, gelijk altijd.Ga niet naar anderen: hun blik verraadt
weigering te beseffen wat er is.
Straks woelt hùn onrust om in uw gemis.
Mijd hun bedisselen, hun ergernis
dat ge u blijkbaar nièt gezeggen laat.Zoek het bij een goed vriend, u toegewijd, –
een die u niets verwijt, niets vraagt, niets raadt,
maar u verdraagt met uw beschreid gelaat.
Die, zèlf zwijgzaam, u kent voor wie gij zijt,
en merkt dat het, nog bevend, berg-op gaat.
In kwade dagen moet je het niet van ‘anderen’ hebben, dicht Gerhardt. Die verdragen het kwaad niet dat jou belaagt. ‘Anderen’ komen snel met hun eigen verhaal. Of met ervaringen van mensen die zij kennen en die ‘ook zoiets’ hebben meegemaakt. ‘Anderen’ kunnen voor een korte tijd bewogen zijn, maar proberen je al snel goede raad te geven. Met zoveel kracht soms dat het ‘bedisselen’ wordt. Geërgerd misschien dat ‘je er zo lang in blijft hangen’. En dat je je niet door hen laat gezeggen.
Niet dat ‘anderen’ hardvochtig zijn, of ongevoelig. Het is meer dat zij de machteloosheid van een ander die kwade dagen doormaakt niet kunnen verdragen. Dat een ‘beschreid gelaat’ hen in verlegenheid brengt. Volgens Gerhardt is vooral een goede vriend die zwijgen kan, goud waard. Die geen raad geeft, geen verwijten maakt, geen vragen stelt, maar die blijft luisteren, die jouw verdriet kan verdragen.
Wie goed naar het gedicht van Ida Gerhardt kijkt, ziet ook lichtpuntjes. Kleine lichtpuntjes. Lichtjes die je alleen maar ziet als het aardedonker is, ergens in de verte. Het lampje bij de deur van een huisje dat kilometers ver het land in ligt. Een lichtje dat bij zonlicht niet opvalt. Mijn zus vertelde over het televisieprogramma ‘De Verwondering’ waar zij dit gedicht hoorde. Doorgegeven door dominee Margriet van der Kooi die vertelde over haar kwade dagen sinds hun schoonzoon was overleden.
Margriet vond houvast in de regel ‘En houd uw huis in stand, gelijk altijd’. Zij vertelde over de kerstversiering die zij dat jaar niet wilde ophangen. Over de oliebollen die haar man niet had willen bakken. En hoe zij het wel deden, ook voor de kleinkinderen. Gelijk altijd. Mij treft de laatste regel van het gedicht, over de goede vriend die ‘merkt dat het, nog bevend, berg-op gaat’. Mij raken de woorden ‘berg-op’. Kwade dagen duren niet eeuwig. Mij raakt vooral het woord ‘bevend’. Voorzichtiger kun je het niet zeggen. Minder teer mag je het niet zeggen.
Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, 12 september 2026. (Foto Wim Beekman: Niels Westra, Leeuwarder Courant).
