Nieuws & Activiteiten
 

De column van Wim Beekman: Onbekende doden

dinsdag, 28 november 2017
De wekelijkse column van Wim Beekman, gepubliceerd in de Leeuwarder Courant van 25 november 2017

Onbekende doden

Hier rust het stof uit vroeg’re dagen
Verborgen in een houten kist
Wilt eerbied voor deez’ rustplaats dragen
Daar zulks plicht en menschelijk is

Op Vlieland wandelen wij langs de ‘Dodemansbol’. Hier liggen de zeelieden begraven die vroeger aanspoelden op het eiland. Zij kregen eeuwenlang een eigen plekje ergens in de natuur halverwege het eiland.

En sinds 20 maart 1907 een bord met bovenstaande tekst. Het bord zelf is een aantal keren vernieuwd; de spreuk is dezelfde gebleven. Om welke reden men ook de onbekende gestorvenen geen plaats wilde geven tussen de eigen overledenen, de eerbied van het bord maakt veel goed. Eerbied voor de onbekende doden: Daar zulks plicht en menschelijk is

De zorg voor de doden is sinds jaar en dag een van de zeven werken van barmhartigheid. In het evangelie van Matteüs kom je de overige zes tegen: De zieken verplegen, de naakten kleden, de dorstigen laven, de hongerigen voeden, de gevangenen bezoeken en de vreemdelingen huisvesten.

Jammer dat Jezus zelf het begraven van de gestorvenen er niet bij noemt. Misschien is de zorg voor de doden in de dagen van de Bijbel zo vanzelfsprekend geweest, dat dit zevende werk van barmhartigheid niet eens apart genoemd hoefde te worden. Hoe dan ook, de kerk heeft deze zevende aan de lijst toegevoegd. Dat doet de kerk niet graag, iets beter weten dan de Heer, dus het heeft zwaar gewogen.

Ik moet denken aan Ger Fritz. Hij begon als eenzame ambtenaar in Amsterdam waar hij vanaf de jaren tachtig verantwoordelijk was voor de gemeentelijke lijkbezorging. Ook in een wereldstad als Amsterdam spoelen geregeld gestorvenen aan . Sommigen spoelen letterlijk aan in het water, of worden gevonden op straat. De meesten zijn eenlingen en gewoon in hun eigen huis een eenzame dood gestorven.

“Sober in het kwadraat” noemt Ger de uitvaarten van gemeentewege toen hij begon. “In alle vroegte met de lijkwagen naar het graf; we lieten de kist dalen; en daarmee was het klaar.” Toen Fritz vertrok bij de dienst waren het uitvaarten die getuigden van eerbied: hij regelde standaard vier dragers, huurde de aula om tien uur ’s morgens en draaide muziek.

Fritz raakte bevriend met stadsdichter Starik. Voor iedere overledene maakte deze een gedicht dat op de uitvaart werd voorgelezen. “Respect, iedereen op de inmiddels gegroeide afdeling was het ermee eens dat respect het grote woord moest zijn.”

Komende zondag zullen wij in onze kerkdienst de gestorvenen herdenken die het afgelopen jaar uit ons midden zijn weggestorven. Zij zijn ons bij name bekend en voor ieder steken we een kaars aan.

Dan bidden wij, met Huub Oosterhuis, ‘voor wie treuren om een lege plaats aan hun zijde, maar ook voor wie sterven en niet betreurd worden, zoals men niet treurt om een steen langs de weg’. Hen kennen we niet, toch gedenken wij hen.

Daar zulks plicht en menschelijk is