In Geen categorie

De wekelijkse column van Wim Beekman, gepubliceerd in de Leeuwarder Courant van 13 januari 2018

Vloek en zegen

Het is zondagmorgen en ik ren naar boven om mijn toga te pakken. Graag ben ik een beetje op tijd in de kerk. Het togakoffertje valt op de grond, en in mijn haast om het op te rapen stoot ik hard mijn hoofd tegen een balk. Bijna laat ik een flinke knoop.

Een dominee op weg naar de kerk die een forse buil oploopt en dat afreageert op de lieve Heer, kan van geen kanten. Nou vind ik vloeken ook gewoon een gebrek aan beschaving, dus ik schaam mij dubbel.

Onderweg naar de kerk denk ik na waarom ik eigenlijk een hekel heb aan vloeken. Allereerst een kwestie van opvoeding, vermoed ik. Mijn ouders vloekten niet, en leerden ook ons dat te laten. “Spreek vrijmoedig over God, maar misbruik Zijn Naam nooit.”

Van de dominee op catechisatie leerde ik dat het een zonde was tegen het derde van de tien geboden: Gij zult de naam van de Heer niet ijdel gebruiken. Met vloeken deed je God verdriet. Toen was de wereld nog overzichtelijk.

Later heb ik begrepen dat het zo eenvoudig niet ligt. Dat “Gods naam ijdel – als een lege, holle klank – gebruiken” minstens zo vaak voorkomt onder gelovigen als onder wie niet geloven.

Ik denk aan kerkleiders die ooit ‘in de naam van God’ hebben opgeroepen tot kruistochten. Aan de politicus die zich christelijk noemt, en onbarmhartig hard wil optreden tegen vluchtelingen. Aan mijzelf waar ik toegeef aan het geloof van ‘ieder voor zich en God voor ons allen’. Ik vermoed dat de lieve Heer daar pas echt verdrietig van wordt.

Nee, vloeken is wat anders dan het ijdel gebruiken van Gods naam. Vloeken is het tegengestelde van zegenen. Wanneer je iemand zegent dan wens je hem het goede toe, als je vloekt dan wens je hem al het kwade, dan verwens je hem.

In die zin wordt er veel gevloekt in onze dagen, ook buiten de kerk. Wij maken van ons hart geen moordkuil meer en vinden dat we alles wat ons op het hart ligt zonder behoedzaamheid moeten kunnen zeggen. En tjonge jonge, wat zijn we vaak verontwaardigd. In onze samenleving is de boosheid tot deugd verheven.

Ook hier een gebrek aan beschaving. Grof taalgebruik en ruwe omgangsvormen zijn in de krant, op televisie en sociale media geen uitzondering meer, tot in de Tweede Kamer toe. De term ‘parlementaire taal’ is inmiddels ijdel geworden, de hoffelijkheid en fijnzinnigheid waarmee men elkaar vroeger in het parlement de oren waste, is aan het verdwijnen.

Er zijn duizend manieren om iets te zeggen. Er is verschil tussen de ander kwetsen en in zijn waarde laten, tussen verwensen en het goede toewensen. Is je woord een staf om te gaan of een stok om te slaan? Mijn oude dominee had gelijk: het een doet de lieve Heer verdriet, het ander maakt hem blij