In Geen categorie

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant van 31 maart 2018

Vlammetje

Elk jaar met Pasen raakt mij de ‘intocht van het licht’. Aan het begin van onze kerkdienst wordt dan de nieuwe paaskaars brandend binnengedragen. Een kwetsbare, kleine vlam, op een grote kaars.

De oude paaskaars hebben we gedoofd op Goede Vrijdag, vlak na de bewogen woorden uit het lijdensverhaal ‘en Jezus boog het hoofd en gaf de geest’. De nieuwe kaars die met Pasen wordt binnengedragen, is ons symbool van de opstanding van de Heer.

Zo’n paaskaars is met zijn bijna anderhalve meter verreweg de grootste kaars in onze kerk. Maar het vlammetje dat daarop brandt, is even klein als alle andere kaarslichtjes. Degene die de brandende kaars binnendraagt, moet daarom de holte van zijn hand beschermend om de vlam heen houden, anders ‘waait de kaars uit’ onder het lopen.

Voor hem uit loopt een kind met de kinderpaaskaars, en dat heeft ook alle moeite de kleinere kinderkaars brandend te houden. Ik houd altijd mijn adem in als ik zie hoe beide kaarsendragers wat onhandig moeite moeten doen het licht niet uit te laten gaan. Een kwetsbaar en broos moment in onze paasdienst.

En dat raakt mij dus. Dat Pasen zo kwetsbaar begint. Even broos als elk nieuw leven. Het raakt mij meer dan liederen op hoge toon. Meer dan opgetogen paasverhalen. Meer dan grote woorden en algemeenheden over ‘het leven dat de dood heeft overwonnen’. Je zult maar net een dierbare hebben verloren.

De paasverhalen in de Bijbel zijn ook helemaal geen jubelverhalen. Integendeel, er is angst, en vrees, en verwarring, en onbegrip bij de vrouwen aan het graf, bij Jezus’ leerlingen, bij allen. Pasen is een teer geheim. Vertrouwen dat het leven sterker is dan de dood, is kwetsbaar, en klein, en moet met de holte van de hand beschermd worden om niet uit te waaien.

Daarom vind ik het mooi dat wij Pasen zo voorzichtig beginnen. Met het binnenbrengen van een vlammetje. Dat vervolgens voorzichtig begint te groeien. Alle mensen hebben een klein kaarsje, en ontsteken dat aan de grote kaars. Zo wordt het licht in de kerk.

Altijd denk ik dan aan de lijfspreuk van Amnesty International: ‘Je kunt beter een kaars aansteken, dan de duisternis vervloeken.’ En elke paasviering weer laat ik van Huub Oosterhuis zingen:

Licht dat ons aanstoot in de morgen,

voortijdig licht waarin wij staan

koud, één voor één, en ongeborgen,

licht overdek mij, vuur mij aan.