In Geen categorie

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant van 27 januari 2018

Vaste rots

Denk ik dat ik de enige ben die een zwak heeft voor het lied Vaste Rots van mijn behoud, lees ik in deze krant dat het een tophit is op internet. Een recente uitvoering van dit bijna 250 jaar oude kerklied is op Youtube inmiddels meer dan twee miljoen keer bekeken en beluisterd. Aantallen waaraan alleen Andre Hazes en zijn gelijken kunnen tippen.

De tekst van Vaste rots spreekt mij niet zozeer aan. ‘Moede kom ik, arm en naakt, tot de God die zalig maakt (…) waar het bloed door U gestort, mij de bron des levens wordt’ is niet meer de wijze waarop ik mijn geloof verwoord. Hoe mooi van taal deze vertolking van dichteres Jacqueline van der Waals ook is.

Voor de Ierse melodie val ik wel. En voor de manier waarop de Urker Zangers het lied ten gehore brengen: in rustig tempo gezongen, met een beetje gezwollen stem, en hier en daar een lichte vibratie. Zo zongen de mannen in de overvolle kerkbanken uit mijn jeugd de kerkliederen. Traag en luid en vol emotie.

Het raakt deze Urkers, dat voel je. “Een troostrijk lied”, zegt een van de koorleden, “je zingt het gedragen. De solo van Florian Poepjes is prachtig. Het geeft hoop in tijden van verwarring.” Zou dat de reden zijn waarom bij een begrafenis zo vaak om dit lied gevraagd wordt, terwijl het lang niet meer in ons liedboek heeft gestaan?

Geloven is niet iets van het verstand, schiet door mij heen terwijl ik het filmpje op Youtube bekijk. “Hoe kan iemand nu nog in een God geloven? Een grootvader ergens ver weg in de hemel?”, hoor ik moderne mensen zeggen die dit niet meer kunnen bevatten.

Alle begrip daarvoor, maar het gaat het niet om denken. Geloven is voor alles gevoel, is geborgenheid, is troost. Vaste rots geeft de mannen uit Urk het gevoel dat het goed komt. En als het niet goed komt, komt het toch goed. Dat beleven zij in hun lied.

Het verhaal gaat dat de Engelse dominee Augustus Toplady in 1776 ergens in een rotskloof onder Bristol verrast werd door een zware storm. Dat hij schuilde onder een overhangende rots en bad dat de lieve Heer hem zou bewaren. Gezond en wel thuisgekomen dichtte hij toen het lied Rock of ages. Sindsdien wordt het honderden jaren over de hele wereld gezongen.

Sedert een jaar of vier hebben we in onze kerk een nieuw liedboek en daar staat Rock of ages weer in. Nu in een nieuwe vertaling van de dichter Willem Barnard. Ook weer prachtig van taal. Ik ga voor het laatste couplet:

Als ik eens mijn leven laat

En de adem mij ontgaat,

Als mijn oog gebroken is,

En mijn ziel gedoken is

In de dorre doodsvallei,

O Gij rots, wees daar nabij!

Zo mogen ze het op mijn begrafenis wel zingen.