In Geen categorie

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant van 17 februari 2018

Dank

Ook zonder dominee Nico ter Linden zou ik wel predikant geworden zijn. Maar dat ik dominee gebleven ben, dank ik aan hem. Onlangs overleed hij op 81 jarige leeftijd. Hij is destijds belangrijk voor mij geweest.

Mijn domineescrisis destijds herinner ik als de dag van gisteren: de Bijbelwoorden werden mij te hoogdravend, God werd een vraagteken, theologie een verzameling nietszeggende gedachten, de kerkliederen hoorden enkel nog vreemd en vroom – geloof en kerk werden leeg voor mij.

In die tijd las ik het boekje ‘Jakob’ van Nico ter Linden. Er ging een wereld open. Ik ontdekte hoe ik de Bijbel ook kon lezen: als een verhaal, als een gedicht, als eeuwenoude literatuur over wat er in het leven echt toe doet: God, liefde en dood.

Ter Linden vertelt over Jakob die vlucht voor zijn broer Esau, die hij laaghartig bedrogen heeft. Hoe Jakob moederziel alleen in het wijde veld ’s nachts in slaap valt en droomt: Zie, een ladder, uit de hemel neergezet op de aarde, de top van de ladder raakt aan de hemel. En zie, engelen stijgen op en dalen daarlangs af.

“Opstijgend”, vertelt Nico ter Linden, “dragen de engelen Jakobs nood omhoog, zijn schaamte, zijn schuld, zijn verdriet om wat was en zijn angst om wat komen gaat. Afdalend dragen zij Gods vertroostingen met zich mee: ‘Ik ben met je, ik zal je bewaren overal waar je gaat, en ik zal je doen terugkeren naar dit land.’” Ik voelde dat het ging over vandaag en over mijzelf.

Nico ter Linden kon Bijbelverhalen vertellen als geen ander. Hij sprak met grote eerbied over de lieve Heer. En verhaalde even respectvol over al de lieve mensen. Hij schilderde Bijbelse heiligen en geloofshelden als gewone mensen. En hij liet zien hoe de gewone mensen heilig zijn.

Jarenlang schreef hij columns in het dagblad Trouw. Altijd over gewone, bijzondere mensen. Zo vertelde hij over zijn tijd als gevangenisdominee. Hoe hij samen met een katholieke collega de uitvaart aan het voorbereiden was van een net ontslagen gevangene, die zichzelf om het leven had gebracht. Hij had het leven ‘buiten’ niet aangekund.

“Een als gevaarlijk bekendstaande gedetineerde kwam wanhopig bij ons binnen: “Is Gerrit er al? Gerrit is nou goed af. Ik doe het volgende week ook. Ik stap er uit. En voor mij hoeft zo’n uitvaartdienst niet. Gooi mij maar op de mestvaalt.” Mijn collega, de pastoor, stond op, nee, hij verhief zich, zijn mond trok: ‘Zal ik jou eens wat zeggen?’ riep hij, terwijl hij de jongen recht in de ogen keek, ‘Jij bent een wonderschoon kind van God! Hoor je dat? Jij bent een wonderschoon kind van God! En nou opzooien, want wij moeten werken.’”

Nico ter Linden heeft mij laten zien hoe menselijk de heilige God is. En hoe heilig de mensen. Dat heeft mij geholpen om dominee te zijn, en te blijven. Dank!