In Geen categorie

De wekelijkse column van Wim Beekman, gepubliceerd in de Leeuwarder Courant van 24 juni 2017

Barmhartig

De profeet Jona is een groot preker. En een onbarmhartig gelovige. Jona preekt in Ninevé, de hoofdstad van het grote Syrische rijk. “Nog veertig dagen, nog veertig dagen, en God keert deze hele verdorven stad ondersteboven.”

Jona heeft het niet op Ninevé. Het is een reusachtige stad in het Midden-Oosten, en het kost drie dagreizen om er doorheen te komen. Na één dag heeft Jona het al gezien. “Zooitje hier, en slechte mensen; Sodom en Gomorra, waar je kijkt. In Godsnaam, omkeren die boel!”

Had hij die drie dagen die ervoor staan nu maar genomen om de stad te verkennen. Had hij slechts de moeite genomen om in een park op een bankje naar de spelende kinderen te kijken. Had hij misschien even een praatje gemaakt met enkele ouden van dagen, ergens op een leugenbankje. Dan had hij wellicht ontdekt dat het niet enkel list en bedrog is in de grote stad. Dat er ook brave burgers wonen, hardwerkende handelslui, en lieve huismoeders.

Maar Jona heeft het na één dag al gezien en preekt zich de longen uit het lijf: “Nog veertig dagen, dan wordt deze goddeloze stad omgekeerd.” En ziedaar, Jona heeft succes. Op bevel van de koning doet de hele stad boete en keren allen zich om van het kwaad dat ze doen.

Jona is woedend. Dat was niet de bedoeling! Hij is op een berghelling buiten de stad gaan zitten om ervan te genieten hoe deze stad vernietigd zou worden, en nu laat de lieve Heer het afweten. Hij spaart nota bene de stad. “Ben je terecht zo kwaad, Jona?”, probeert God nog. Maar Jona is heilig overtuigd van zijn eigen, boze gelijk.

Waar geloof is, zou je barmhartigheid verwachten. Maar gelovige mensen zijn vaak even onbarmhartig als niet gelovigen. Soms onbarmhartiger. En ook christelijke politiek is lang niet altijd zo barmhartig als je zou hopen.

Hoe nauw geloof en barmhartigheid aan elkaar verbonden zijn, lees ik bij de dichter Willem Wilmink in zijn onroerend gedicht ‘God woont in de Fokke Simonszstraat’:

Ik hoorde het van een zeereerwaarde

En hoogbejaarde dominee:

De Here wou met onze aarde

Niet een dag langer meer in zee.Al zouden wij Hem overstelpen

Met eredienst en dankgebed,

Het zou geen ene moer meer helpen:

Er werd een punt achter gezet.Maar zie: daar was diezelfde morgen

Zo’n rotjoch in de grote stad

Een doodziek duiffie aan t’ verzorgen

Dat-ie op straat gevonden had.“Kristus, wat mot je dan? Wat wil je?

Ja kijk me maar eens effe an.

Godsallejeisis, beest, wat tril je.

Leg nou toch effe rustig man.”Toen heeft de Heer Zijn toorn bedwongen,

Want Hij kreeg schik in het geval.

Hij spaarde dus de kleine jongen,

De zieke duif en het heelal.