In Geen categorie

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant van 10 maart 2018

Balcon Bernadette

Les Menuires is een oord van skiërs, voor skiërs. Voor onze kinderen en kleinkinderen is dat een grote vreugde. Voor mijn vrouw en mij, die blij worden van een stevige wandeling, is het even flink zoeken naar een mooi bergpad in de stilte van de Franse Alpen.

We vinden het ‘Balcon Bernadette’, waarover we een wandeling van ruim een uur maken. Rustig stijgend van 1800 naar 1950 meter, lopen we onderlangs een bergkam en ontvouwt zich een weids vergezicht op de witte eeuwigheid.

Het is onmogelijk hier niet stil te worden. Je gaat je vanzelf klein voelen. De wereld is zoveel groter dan ik, zoveel ouder ook, zal het zoveel langer uithouden dan wij mensen die hier nog pas een paar tellen van de eeuwigheid rondlopen. Ach, al die gedoetjes van mij ook. Ik ben ‘een stofje aan Gods weegschaal’, zoals mijn grootvader dan zei.

Na ruim een uur komen we bij een bankje. Links van ons een berghut, het dak is ingestort en de bomen groeien door de balken. Rechts strekt het onmetelijke dal zich uit. Het hutje zal binnenkort zijn vergaan, het dal zal blijven. Hoezo zijn wij de eigenaars van het stukje berg dat wij bewonen?

Mijn vrouw en ik blijken aan dezelfde Psalm te denken. Het is dan ook onze trouwtekst:

Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar zal mijn hulp komen?

Mijn hulp is van de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft. (…)

Hij zal niet toelaten dat uw voet wankelt.

We drinken wat water, nuttigen een stuk proviand, nemen enkele foto’s, constateren dat de weidse witte stilte niet in een smartphone te vangen is, en beginnen aan de terugtocht. De afgrond langs het Balcon Bernadette is diep, dus ik hoop niet dat mijn voet wankelt.

“Het is mooi”, denk ik, “dat de Heer mijn voet bewaart, maar ik moet er zelf ook wat aan doen: goed op mijn stappen letten. Want er is, lopend langs het randje, slechts één schrede tussen mij en de eeuwigheid.”

En zonder onze medemensen kan ik blijkbaar ook niet. Wanneer we een uurtje later Les Menuires weer in zicht hebben, zoek ik mijn telefoon. “Dan kan ik hier nog een mooie foto maken.” Helaas, de telefoon blijkt nog op het bankje, op de berg.

Meteen doemt er weer een hoop gedoe op aan de horizon: Een nieuwe telefoon, alle adressen opnieuw verzamelen, reisverzekering bellen, en andere ellende. We besluiten terug te gaan.

Halverwege komt ons de Franse vrouw tegemoet die daarboven naast ons op het bankje zat. Zij blijkt de telefoon te hebben gevonden en meegenomen. “Ik dacht, ik breng hem naar de Gendarmerie.”

Ik heb een hoop geleerd op het Balcon Bernadette: Ik ben maar een vlokje in Gods witte eeuwigheid; ik moet goed op mijn eigen tellen passen; en waar zou ik zijn zonder een behulpzame medemens.