In Geen categorie

Gave van het woord

Wanneer je haar naam laat vallen in het dorp, weet ieder meteen wie je bedoelt. Bij anderen moet je eerst de familienaam noemen, of aangeven ‘van wie’ zij is, maar zij is gewoon als zichzelf bij iedereen bekend.

Er is vrijwel niemand meer ‘van wie’ zij was. Geen man en geen kind, geen broer meer en geen zus, ze was, op een enkel familielid na, alleen. Bij tijden voelde zij zich eenzaam. Dan belde zij buren en vrienden, dorpsgenoten, dokter en dominee. Het dorp ontfermde zich dan over haar, want zij ontroerde je. Er waren geregeld dorpsengelen om haar heen.

Haar krachten verloor zij met het klimmen van de jaren, maar wat lang in haar bleef was de gave van het woord. Vertelde zij over heit en mem, over de meester op school en de juffrouw in de klas, over de vreugde en het verdriet van haar jeugd, dan hing ik aan haar lippen, want wat geweest was bracht zij met haar woorden weer tot leven.

Zij gaf ook om mijn verhalen, en vroeg me honderduit. Tot slot verzocht ze me dan of ik een stuk uit de Bijbel wilde lezen. Zij hield ook van de verhalen van de lieve Heer. “Het mooist klinken ze wanneer ze door een man worden voorgelezen.”

Schrijven kon zij als een leeuw, dichten deed zij als een lam. Pittige brieven schreef ze, aan de burgemeester en de commissaris van, destijds, de koningin, aan de secretaris van de partij waarvan wij beiden lid waren, aan de voorzitter van Dorpsbelangen, en aan weet ik niet wie allemaal. Er was altijd wel iets in de wereld van mens en dier waar zij zich zorgen over maakte.

Haar gedichten gingen over de bloemen en hun kleuren. Over de heg en de bleek, roodborstjes en spinnen, de kraai en de kievit, het hondje van de buren en de kat van haarzelf, de lage zon die in het water zakt, en de nevel die boven de weiden drijft.

Zij zag gewone dingen met bijzondere ogen, en zij kon ze zo verdichten dat jij ze ook als buitengewoon ging zien. Haar gedichten waren van oprechte eenvoud, nooit sentimenteel, en altijd ontroerend. Haar boekjes waren geliefd en werden goed verkocht.

En nu is zij gestorven. Op haar rouwbrief lees ik een van haar ‘versjes’. Een gedicht over dagelijkse dingen, de ondergang en de opgang van de zon. En over de eeuwigheid van het leven, van haar eigen leven misschien wel het meest.

De jûntiidssinne fol en great
sakket read-oranje wei
tusken reid en beamkeguod,
ôfskied fan in dei.

En op de wide, romme mar
dûke eintsjes yn it wiet,
en driuwkje swannen lâns de kust,
in Paradys op ierd.

Noch efkes en it tsjuster falt,
lûkt in wale oer it gea.
Mar wat de nacht oan’t sicht ûntnimt,
stiet strieljend op, yn’t moarntiidsrea.

Gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, 15 december 2018. (Foto Wim Beekman: Niels Westra, Leeuwarder Courant)